Inloggen

. . . Tuin-huisje . . . Zooeasy . . . Quiko . . . Giantel . . . Bird shop . . . EdiaLux . . . J & J . . . Quiko . . . Easyyem . . . Heesakkers . . . Bird Suppply . . . Vogelvreugd . . . Elector . . . Houten kweekkooien . . . Vaesen . . . Comed . . . Kweekkooi.be . . . kaf o matic . . . Han Lucas . . .

kanarie jongen

Erfelijkheidsleer is gebaseerd op natuurwetten .

volgens dewelke eigenschappen van ouders, en in mindere mate ook van voorouders, overgedragen worden op de nakomelingen.De wijze waarop dit geschiedt, noemt men de studie van de erfelijkheid, die grotendeels is gebaseerd op de 'Wetten van Mendel'. Voor ons, vogelliefhebbers, heeft dit als voornaamste doel, door weldoordachte paringen, de beste hoedanigheden in onze vogels te verenigen, vast te leggen en slechte eigenschappen te verwijderen.Centraal in de erfelijkheidsleer staat de cel, als kleinste eenheid van leven. Alles wat met leven te maken heeft is opgebouwd uit cellen. Hun aantal is afhankelijk van de grootte en de omvang van het individu en gaat van miljoenen tot zelfs miljarden bij de mens, tot ééncelligen bij sommige microscopisch kleine dierlijke of plantaardige micro-organismen, waarbij o.a. microben.

Cellen komen voor in verschillende vormen en groottes, afhankelijk van de functie die ze te vervullen krijgen. Zo zijn opperhuidcellen bvb. plat  en breed en spiercellen lang, gerekt en smal.

Een doorsneecel bestaat uit een in grote lijnen ovale tot ronde celkern, omgeven door een vloeistofachtige substantie, het cytoplasma, en in zijn geheel omsloten door een uiterst dun celmembraan of celvlies.

Wat ons eigenlijk het meest aanbelangt en waar we verder ook dieper zullen op ingaan, is de celkern omdat zich daarin, drijvend in het slijmerige kernvocht of nucleoplasma, de chromosomen bevinden met de genen, de dragers van alle erfelijke eigenschappen. Cytoplasma en nucleoplasma worden veelal met de verzamelnaam protoplasma aangeduid.Bij het functioneren van een lichaam, zij het mens of dier, heeft iedere cel zijn eigen functie. Men treft cellen aan in celgroepen die sterk van elkaar kunnen verschillen naargelang het soort lichaamsweefsel waartoe ze bestemd zijn en naargelang die lichaamsfunctie die ze te vervullen krijgen.Bij planten kan dat bijvoorbeeld schors, loof, wortels of sap zijn en bij mens of dier huid, bloed, spiermassa, zenuwen of haar. Men noemt ze in het algemeen lichaamscellen omdat ze bepalend zijn voor de opbouw, de groei en verder instandhouding van het lichaam, waarbij regelmatig afgestorven cellen moeten worden vervangen door nieuwe. Dit kan gebeuren op een regelmatige natuurlijke wijze zoals bij het zich herhaaldelijk vernieuwen van de huid of bij het veranderen, verwisselen van veren tijdens de rui, waarbij vele miljoenen veercellen worden omgezet, maar kan ook accidenteel wanneer bijvoorbeeld een wonde moet helen of een verloren pen moet teruggroeien.

Er moeten dus steeds ten gepaste tijden nieuwe cellen worden aangemaakt wat geschiedt door celdeling van bestaande cellen waarbij, hoe onlogisch dit ook moge klinken, ze zich eigenlijk vermenigvuldigen. Eén cel deelt (= splitst) zich in twee, die twee in vier, die vier in acht, enz. identieke (=juist dezelfde) nieuwe cellen, zo ook hun inhoud m.n. de kern en het erfelijk materiaal, de chromosomen.In rusttoestand liggen deze laatste klein, dik, ontspannen en schier onherkenbaar in het cytoplasma tezamen met bijkomend erfelijk materiaal dat later zal dienen als aanvulling.Juist voor de celdeling worden chromosomen 'actief' en gaan ze zich ontwikkelen tot twee fijne in elkaar verstrengelde spiraalvormige draadjes, chromatiden geheten. Chromosomen komen normaal steeds in homologe paren voor die twee aan twee gelijk zijn van vorm, afmeting en bouw of m.a.w. één chromosomenpaar wordt gevormd door twee gelijkaardige chromosomen waarvan alleen hun inhoud aan erfelijke eigenschappen (genen) kan verschillen, maar dat wordt verder nog wel duidelijk. 

Als voorbeeld zien we de celdeling van een willekeurige lichaamscel met twee paar chromosomen A1A2 en B1B2 Bij het begin van de celdeling gaan de paren uiteen en zullen de afzonderlijke chromosomen zich ordenen juist in 't midden van de cel .Op het ogenblik dat cel en kern zich splitsen zullen ook de chromosomen zich overlangs splitsen in twee chromatiden, die echter onmiddellijk na de deling terug spontaan worden aangevuld en vervolledigd tot gehele chromosomen   d.m.v. het eerder vernoemd 'reserve' materiaal uit het cytoplasma Uiteindelijk gaan ze dan terug paren vormen en bekomen we alzo twee nieuwe dochtercellen, volledig identiek aan de moedercel .Na een korte periode van rust waarbij de chromosomen weer tot ontspanning komen in het cytoplasma zal alles herbeginnen  tot het "bijna" oneindige. Dit soort deling van lichaamscellen noemt men 'mitose' of somatische celdeling. Het ordenen en splitsen van chromosomen geschiedt onder invloed van een soort 'krachtlijnen' uitgaande van twee in de cel voorkomende poollichaampjes, best vergelijkbaar met de werking van een magneet  

De snelheid waarmede dit delingsproces verloopt, kan door bepaalde stoffen zoals hormonen, worden beïnvloed o.a. worden versneld, vandaar dan ook de benaming 'groeihormonen'. 

Na deze erg simplistische voorstelling, die voor ons vogelliefhebbers zeker meer dan voldoende is, gaan we op dezelfde manier trachten ook de chromosomen eens wat nader te bezien 

Chromosomen komen normaal, zoals reeds aangehaald, steeds voor in homologe (overeenkomstige, gelijkvormige) paren of m.a.w. één chromosoom van de moeder en één van vader, waarbij dus slechts de inhoud aan erfelijke eigenschappen min of meer kan verschillen.

Een mens bezit normaal 46 chromosomen of 23 paren. Een bekende uitzondering daarop zijn mensen die lijden aan het 'Syndroom van Down' (mongolisme) die o.a. een afwijkende chromosomenpaar bezitten dat 3 chromosomen bevat.

Een hond heeft er 22 of 11 paren, een grasparkiet 26 of 13 paren en kleurkanaries, evenals andere vinkachtigen, 18 of 9 paren.

Let wel, deze getallen zijn relatief omdat de celkern nog meerdere chromosomen kan bezitten. Deze chromosomen zijn echter zo klein dat ze niet met zekerheid kunnen gedefinieerd worden.

Iedere gelijkaardig levend organisme bevat in normale omstandigheden een zelfde aantal chromosomen in iedere cel.

Chromosomen zijn, zoals reeds aangehaald, opgebouwd uit genen (enkelvoud: gen), de stoffelijke dragers of kortom de vertegenwoordigers van alle erfelijke eigenschappen van het individu. Ze bestaan uit twee identieke chromatiden met elk een bezit aan dezelfde overeenkomstige genen die via scheikundige wijze 'overbrugging' volgens een vaste zgn. A T of G C codering (schikking) met elkaar zijn.Genen bestaan uit minuscuul kleine stukjes DNA-RNA materiaal, nucleïnezuren of eenvoudigweg een samenstelling van kernzuur en eiwitten. De scheikundige samenstelling ervan is voor elk gen anders, m.a.w. is elke erfelijke eigenschap of factor op een chromosoom vertegenwoordigd door een afwijkend stukje DNA met eigen enzymvorming en -afzetting. Een gen is dus een stukje DNA dat de code bevat voor de aanmaak van een bepaald eiwit, aminozuur of enzym.Een erfelijke eigenschap kan één of meerdere genen beslaan en elk gen heeft eenzelfde precieze plaats op beide chromatiden van eenzelfde chromosoom, locus geheten. Zo liggen dus ook voor bijvoorbeeld een kanarie dezelfde eigenschappen of factoren steeds op hetzelfde overeenstemmende locus van hetzelfde chromosomenpaar.Het gen z+ van zwarte eumelanine of dit van de mutant z van bruine eumelanine zullen bijvoorbeeld steeds te vinden zijn op locus 4 van chromosomenpaar X1X2 en nooit ergens anders! Chromosomen zijn in te delen in twee soorten : de geslachtschromosomen en de autosome chromosomen.Eerst genoemden bezitten, het woord zegt het zelf, alle factoren nodig voor de voortplanting (= de instandhouding van de soort).Op de autosomen treft men alle andere kenmerken aan die niets met het geslacht van het individu te maken hebben en die zelfs met elkaar weinig of geen binding hebben. Kortom, die autosoom zijn, die vrij zijn, die onafhankelijk zijn. Mens en dier bezitten slechts één koppel geslachtschromosomen, de rest zijn autosomen, wat bij o.a. vinkachtigen overeenkomt op de verhouding 8 : 1. Hebben we reeds gezegd dat alle chromosomen voorkomen in homologe paren, waarbij we reeds de uitzondering van het mongolisme vernoemd hebben, dan moeten daar ook de geslachtschromosomen van poppen bij vermeld worden. In tegenstelling tot mannelijke vogels zijn de geslachtschromosomenparen bij de poppen niet homoloog. Ze bezitten nl. twee verschillende geslachtschromosomen qua inhoud: één met en één zonder, voor ons belangrijk, erfelijk materiaal (we zeggen van dat laatste dan ook dat het ledig is).Schematisch voorgesteld door XX voor mannen en XY voor poppen.Schrijfwijze: Bij mens en zoogdieren in 't algemeen is dit juist andersom, daar bevatten vrouwen twee volle geslachtschromosomen XX  en mannen één X en één ledig Y. Het is dus wel degelijk steeds de man die alleen verantwoordelijk is voor het geslacht van de nakomeling.

 

Naast de lichaamscellen, waarover we het reeds uitvoerig hebben gehad, bezitten mens en dier nog een ander soort cellen nl. de geslachts- of voortplantingscellen, die eigenlijk voor ons nog belangrijker zijn, omdat ze rechtstreeks zorgen voor de voortplanting of m.a.w. het instandhouden van de soort.In een vrouwelijk of mannelijk organisme komen op bepaalde tijden, bij het rijp worden, het volwassen worden, speciale cellen respectievelijk ei- en zaadcellen, met precies dezelfde inhoud als alle andere cellen, tot ontwikkeling.Wanneer bij een paring van man en pop deze cellen zich gaan verenigen tot een bevruchte eicel, noemt men dit een kiemcel. Een kiemcel is dus eigenlijk niets anders dan de allereerste lichaamscel, het begin van elk nieuw leven.Dit is wel zeer simplistisch voorgesteld, want men begrijpt dat wanneer op deze wijze een ei- en zaadcel zich zouden verenigen men dan een kiemcel of eerste lichaamscel zou bekomen met het dubbel aantal aan chromosomen, t.t.z. 9 paar (bij vinkachtigen) in de eicel van de pop plus 9 paar in de zaadcel van de man. Dat zou beteken samen 18 paren in de kiemcel! Dat kan natuurlijk niet en daarom zorgt moedernatuur ervoor dat juist vóór de bevruchting, als de zaadcel in de eicel is binnengedrongen, het chromosomenaantal in beide cellen eerst wordt gehalveerd. Deze deling van geslachtscellen noemt men ook meiose. Op deze wijze bekomt de kiemcel of eerste lichaamscel ook de vereiste negen paar  homologe chromosomen, waarna ze zich verder kan delen in twee, vier, acht, enz. nieuwe lichaamscellen tot een nieuw levend wezen, op dezelfde manier die we reeds uitvoerig hebben besproken. 

Ei- en zaadcellen met een halve inhoud van chromosomen noemt men gameten en hoe men daar toe komt gaan we nu even bezien, want het behoort tot het belangrijkste van het hele erfelijkheidsgebeuren. Om het eenvoudig te houden ga ik een voortplantingscel als voorbeeld nemen van een willekeurig dier, mannelijk of vrouwelijk, het doet er niet toe,  met slechts twee chromosomenparen in de kern.Het halveren van chromosomenparen tot gameten kan op vrij simpele wijze worden voorgesteld waarbij steeds willekeurig één van beide chromosomen van het homologe paar naar de ene kant wordt getrokken en de andere naar de andere kant. Ook weer via die poollichaampjes, weet u nog wel.Bijvoorbeeld A1B1 naar links en A2B2 naar rechts is één kans, maar het kan evengoed anders volgens welgeteld vier mogelijkheden naar de formule 2n.=  22 = 2 x 2 = 4 = A1B1, A2B2, A1B2, A2B1.

Bij eventueel drie chromosomenparen in de cel betekent dat 23 = 2 x 2 x 2 = 8 mogelijkheden.

 

Bij kanaries met 9 chromosomenparen of 29 = 2 x 2 x 2 x 2 x 2 x 2 x 2 x 2 x 2 = 512 mogelijke combinaties, met als voorwaarde dat dit natuurlijk slechts geldt voor chromosomenparen waarvan beide chromosomen minstens één onderling verschil vertonen aan voor ons belangrijke eigenschappen of factoren zoals voornamelijk kleur  en tekening, m.a.w. bij chromosomenparen met egaal factoren bezit speelt het geen enkele rol naar welke kant hun chromosomen uitwijken want, omdat ze gelijk zijn, verandert er toch niets!Bij het halveren van het chromosomenaantal gaat vanzelfsprekend ook de hele cel zich splitsen tot twee nieuwe cellen met elk een half aantal chromosomen als inhoud.

 

En wie nu denkt dat we er zijn, heeft het mis voor. De natuur heeft er nl. voor gezorgd dat er nog een mitose volgt zoals bij de lichaamscellen, waarbij de 'afgezonderde' chromosomen uitgesplitst worden in chromatiden (d) die dan tezamen met hun respectievelijke cellen nog eens gedeeld worden van twee tot vier nieuwe voortplantingscellen met een half aantal aan chromatiden (e). Die dan vervolgens, zoals u nog wel weet, spontaan terug worden gecompleteerd tot volle chromosomen (f).

In theorie is dat voor beide seksen hetzelfde en vormt zowel man als pop vier gameten (g, f). In praktijk echter worden er bij de pop op natuurlijke wijze drie gameten vroegtijdig geëlimineerd, ze sterven af, zodat er slechts één vrouwelijke gameet naar willekeur zal overblijven welke dan achteraf ook naar willekeur door één van de vier mannelijke gameten (spermatozoïden) zal worden bevrucht.Hieruit volgt dat jonge kanaries uit eenzelfde nest, dus van dezelfde ouders, normaal het meest gelijkenis zullen vertonen wanneer de verschillen tussen beide ouders het kleinst zijn omdat dan ook de mogelijkheden tot verschil in hun respectievelijke gameetvorming het kleinst zijn! 

Vier mannelijke gameten en één vrouwelijke gameet zijn zodus het gevolg van een meiose- en een mitosedeling bij respectievelijk zaad- en eicel.Mutatie :  is, zoals reeds eerder gezegd, een plotse en spontane optredende verandering in het erfelijk materiaal welke genetisch is vastgelegd en niet aan een veranderde genencombinatie kan worden toegeschreven.Vb. Bij kanaries en wildzang de mutatie van z+ à z (van zwarte eumelanine naar bruine eumelanine), waarbij z de mutant wordt genoemd van z+.Er zijn meerdere vormen van mutatie gekend, waarvan de meest bekende de zgn. chromosomenmutatie waarbij delen van een chromosoom wegvallen of naar een ander chromosoom overgaan (zoals o.a. bij crossing-over) eigenlijk niet als mutatie mag beschouwd worden, omdat er in dit geval wel degelijk spraak is  van een verandering in het genenbestand.

Bij een echte mutatie zijn het daarentegen de genen zelf, of eigenlijk meestal één gen dat door een of andere reden, hetzij door bestraling, chemische invloed of erfelijke aanleg plots van inwendige samenstelling gaat veranderen. Zo kan het bijvoorbeeld reeds volstaan dat er een atoom in het samenstellend DNA-materiaal van betreffend gen zou wegvallen of nog wanneer er bij het kopiëren van de genen een fout zou ontstaan, waardoor in beide gevallen het muterend gen een 'verkeerd' eiwit gaat aanmaken, om tot een mutatie te komen.Gebeurt dat nu bij een gen met invloed op het melanisatieproces, dan kan dat kleur en/of tekeningsverandering tot gevolg hebben.Mutaties kunnen zich rechtstreeks uiten, denk daarbij maar aan de zoveel gevallen van kanker, welke ook hun oorsprong vinden in het muteren  van een of meerdere genen.

Kleurmutaties evenwel, zoals we ze kennen bij onze vogels, gebeuren meestal indirect via de gameten van de ouders naar zonen en dochters, mogelijk reeds bij F1 als het een geslachtsgen betreft (van vader op dochter), maar mogelijk ook maar na meerdere generaties, als het om een autosomaal gen gaat. Welke  laatste tweemaal moet aanwezig zijn om zich  te kunnen uiten (dominante factoren uitgezonderd). In eerste instantie lijkt het er dus op dat de kans om onafhankelijk verervende mutaties te bekomen daardoor veel kleiner zou zijn dan om geslachtsgebonden vormen te verkrijgen, ware het niet dat er in verhouding (8 op 1) VEEL meer onafhankelijke genen voorkomen zodat die gedachte zeker niet opgaat. 

Allelen : Factoren die op eenzelfde locus liggen van eenzelfde homoloog chromosomenpaar zijn elkaars allelen of allelomorfen. Dit kunnen dezelfde factoren zijn maar evengoed hun mutanten.

                 Voorbeeld : De factoren 1, op beide chromatiden van het chromosoom A1 en de factoren 1, op beide chromatiden van het chromosoom A2,

                 zijn elkaar allelen eveneens 2 van A1 met 2 van A2, 3 van A1 met 3 van A2, enz. 

Multiple allelen: Het is niet altijd zo dat één gen staat voor één erfelijke eigenschap of factor, soms zijn er meerdere factoren in het spel, als betreffend gen uit meerdere allelen bestaat.

                 Voorbeeld :Op het chromosomenpaar A2A3 wordt gen 3 of factor 3 vertegenwoordigd door 2 allelen, 3a en 3b. Alleen in 't geval  dat 3a en 3b vertegenwoordigd zijn zal factor 3 zich optimaal manifesteren, wanneer daarentegen één van beide ontbreekt zal factor 3 een verandering ondergaan. Stel dan dat factor 3 een bepaalde kleur voorstelt, dan zal dat naar alle waarschijnlijkheid overeenstemmen met een opvallende kleurvermindering (tot kleur 3a of 3b) 

Multiple allelen zijn dus niets anders dan mogelijke toestandsveranderingen van één en dezelfde factor of m.a.w. wanneer in een bepaald gen zich onder twee of meerdere gedaantes kan voordoen, spreekt men van multiple allelen.We zagen zojuist het voorbeeld twee allelen van één eigenschap, maar het kunnen er evengoed heel veel meer zijn als men bedenkt dat o.a. bij de intensief- en schimmelfactor, die zoals we nog zullen zien slechte uit één factor bestaat, de mogelijkheden  tussen sterk intensief en sterk schimmel gewoon niet te overzien zijn, laat staan te tellen. Idem voor de citroenfactor welke ook in zoveel verschillende graduaties of nuances kan voorkomen.Praktische voorbeelden van multiple allelen zijn o.a. bij kleurkanaries en wildzang de albinofactoren en bij grasparkieten de combinatie grijsvleugel – diepovergoten waarbij de geleidelijke overgang van het maximale (zwarte vleugeltekening) over de middenvorm (grijsvleugel) naar het minimale (diepovergoten) overduidelijk naar voor komt.

 

Zygoot :   Al proberen we zoveel mogelijk moeilijk woorden te vermijden, toch zijn sommige zo belangrijk dat ze gewoon moeten vermeld worden, zoals deze bijvoorbeeld om de veel voorkomende uitdrukkingen homozygoot en heterozygoot beter te kunnen begrijpen.

Een zygoot is niets anders dan een bevruchte eicel, een kiemcel of eerste lichaamscel.

Homozygoot of levend wezen van fokzuivere aard.Is een wezen met bepaalde eigenschappen, voortkomende uit ouders die ook deze zelfde eigenschappen bevatten. Dit wezen is dan fokzuiver of homozygoot voor deze eigenschappen.

       Voorbeeld :  man   AA   x  pop     AA

                                               1  2                      3  4

 

       1 + 3 = AA     )

       1 + 4 = AA     ) Resultaat : 100% homozygote,

       2 + 3 = AA     )                            fokzuivere AA-jongen.

       2 + 4 = AA     )

Zo is bij onze kanaries of wildzang een isabel of een isabelpastel homozygoot, maar een isabel split pastel is dat niet!

Heterozygoot of levend wezen van niet fokzuivere aard.

Bezitten de ouders onderling één of meer verschillende eigenschappen vb. in kleur, dan zijn hun afstammelingen niet fokzuiver voor deze één of meer eigenschappen.

Voorbeeld :  man    AA x  pop  aa

                            1  2           3  4

                           

                            1 + 3 = Aa        )

                            1 + 4 = Aa        ) Resultaat : 100% niet fokzuivere

                            2 + 3 = Aa        )                             Aa-jongen.

                            2 + 4 = Aa        )

In vogeltaal spreekt men van heterozygoot, m.a.w. bezit de vogel naast zijn eigen kleur A nog een andere kleur a die hij innerlijk (latent) in zich draagt, maar die zich bij een volgende kweek kan manifesteren. Hij is dan verervend of split voor die latente factor.Poppen in de geslachtsgebonden groep of m.a.w. wiens eigenschappen op de geslachtschromosomen liggen zijn altijd homozygoot voor die eigenschappen en kunnen er dus ook nooit verervend of split zijn voor zijn!Voorbeeld :

Nemen we een groene vader, agaat verervend, dan zullen de dochters altijd ofwel groen ofwel agaat zijn, nooit groen, agaat verervend! Weet u nog : dat ledig chromosoom bij poppen? Dat is gewoon de reden.

 

Feno en genotype :      

We weten reeds lang dat tussen het uiterlijk van een vogel en de erfelijke aanleg er verschillen kunnen bestaan.  Een vogel kan split zijn voor verschillende recessief verervende factoren.

Het fenotype is de uiterlijke verschijningsvorm of hetgeen wat men ziet van een vogel.

Het genotype is het geheel van erfelijke aanleg van de vogel, het innerlijke.Bij homozygote vogels (fokzuivere vogels) is het feno- en het genotype, theoretisch, gelijk, praktisch daarentegen kunnen zich wel degelijk verschillen voordoen. Zo kan een vogel bv. genotypisch 'groot' zijn maar o.a. door bepaalde milieuomstandigheden, zoals voedingsgebreken tijdens de groeiperiode, fenotypisch toch klein uitvallen!Bij heterozygote vogels (splitvogels) is aan het uiterlijk, op een paar uitzonderingen na, niet te zien welke eigenschappen deze vogels vererven. Hier zijn fenotype en genotype doorgaans verschillend.Het is voor een kweker erg belangrijk om het genotype van de vogel te kennen, om zo niet voor grote verrassingen te komen te staan in de kweek.           

Gekoppelde factoren of genen: 

We kunnen ons nu reeds een voorstelling maken van hoe duizenden genen een chromosoom vormen. Net zoals vroeger de Romeinen en Grieken zuilen construeerden met een opeenstapeling van ronde, cilindervormige stenen, zo zijn dus eigenlijk ook beide gelijke chromatiden van een chromosoom  opgebouwd uit duizenden en duizenden genen, die elk een of andere eigenschap van het individu vertegenwoordigen en regelen.Bij de kleurkanaries zijn er tot op heden een twintigtal eigenschappen voor vooral kleur en tekening die ons aanbelangen en die verspreid liggen op de 9 verschillende chromosomenparen. Liggen ze op eenzelfde chromosoom dan kan men stellen dat ze gekoppeld zijn en hoe dichter bijeen, hoe sterker de koppeling is!Liggen deze genen op het geslachtschromosoom dan vererven ze geslachtsgebonden en zijn ze steeds min of meer gekoppeld zoals o.a. de klassieke melanines bij kanaries en wildzang.Een ander mooi voorbeeld van gekoppelde factoren zien we bij de grasparkieten, waar het gen dat verantwoordelijk is voor het blauw of groen gekoppeld is aan het gen dat verantwoordelijk is voor de nuance (licht, midden, donker).Eigenschappen of factoren die daarentegen verspreid liggen op de autosome chromosomen hebben veel minder binding met elkaar, men noemt ze daarom ook onafhankelijk verervend. Slechts weinig van deze onafhankelijke verervende factoren zijn gekoppeld, het bekendste voorbeeld daarvan is natuurlijk de rood- en geelfactorcombinatie.Schrijfwijze:

In formulevorm worden gekoppelde factoren samen op of onder éénzelfde deelstreep vermeld. Liggen ze op de geslachtschromosomen dan wordt de deelstreep tussen beide chromosomen XX of XY daartoe gewoon doorgetrokken.

Voorbeeld : klassieke melanines bij kanaries en wildzang

X   z+    alb+      of       X     z+    alb1

X   z     alb+                Y     (ledig)

Bij onafhankelijke factoren wordt de deelstreep steeds per factor onderbroken.

Voorbeeld :

X   z+    alb+    opaal    recessief wit

X   z     alb+    opaal    recessief wit 

Onafhankelijk verervende factoren, al noemt men ze onafhankelijk en liggen ze op een ander chromosomenpaar kunnen soms wel degelijk invloed uitoefenen op elkaar. Op een of ander wijze schijnen ze dus toch gekoppeld en dat kan zelfs zo sterk zijn dat ze elkaar kunnen beletten te verschijnen, zoals bijvoorbeeld de dominant witfactor er een kanarie kan van weerhouden geel of rood te kleuren.

Crossing-over :

Soms gaat het in de natuur ook wel eens fout en zo kan er juist voor de bevruchting bij de deling van de geslachtscellen in het stadium dat de chromosomenpaar in chromosomen worden gesplitst, ook wel het een en ander verkeerd gaan.Gewoonlijk liggen de chromatiden van beide chromosomen van een paar dicht bij elkaar en zijn soms in elkaar verstrengeld en dan kan het gebeuren dat er tijdens het 'uiteentrekken' breuken ontstaan, soms maar één maar ook soms meerdere. Zo ook tussen het erfelijk materiaal, de genen, die er op liggen en er dus ook bij betrokken worden en dit zowel bij geslachtschromosomen als bij autosomen.Gelukkig heelt de natuur meestal zelf haar wonden, zo ook hier waar de gebroken stukken terug worden 'gelijmd', maar dan omzeggens steeds aan de verkeerde chromatiden (fig. 7a&b). En dat hoeft daarom  niet altijd in het nadeel te zijn want op deze wijze is o.a. de isabel ontstaan bij kanaries en wildzang, een kleur die er zonder crossing-over tussen de factoren z+, z, alb+ en alb1 waarschijnlijk anders nooit was gekomen.Op deze wijze kan de koppeling, die gekoppelde factoren vooraf met elkaar hadden, worden verbroken. Natuurlijk hoe sterker die koppeling, dus hoe dichter betreffende factoren bijeenliggen, hoe kleiner de kans hun onderlinge binding te kunnen verstoren.Bij zwak gekoppelde factoren is de mogelijkheid tot breuk zoals te zien natuurlijk veel groter omdat de onderlinge afstand tussen de twee factoren, waar de breuk zich kan voordoen, ook veel groter is.Bij poppen kan zich geen crossing-over voordoen tussen de geslachtsverervende eigenschappen omdat ze daartoe geen homoloog chromosomenpaar bezitten. 

Gedrag van factoren:

Een willekeurige factor of eigenschap kan zich tegenover zijn wildvorm of m.a.w. zijn wildallele op één van de drie mogelijke wijze gedragen :

- dominant

- recessief

- intermediair (of gedeeltelijk dominant) 

Dominant

Als de werking van de mutant domineert (= sterk is, overheerst) op zijn wildvorm.In dit geval zal de dominante kleur van de mutant steeds in het uiterlijk van de vogel te zien zijn, ook al is betreffende factor slechts op één chromosoom van het paar aanwezig. Of m.a.w. in geval van ongelijkheid van twee factoren zal de dominante de andere geheel of gedeeltelijk beletten te verschijnen.

Vb.  - Agaat is dominant op isabel

- Duits (dominant) wit is dominant op geel

- Kuif op gladkop

- Wildvorm is dominant op pastel, phaeo, opaal, agaat, bruin, witborst, grijsvleugel, ....

 

Recessief

Is het omgekeerde van dominant, als de wildvorm sterker is dan de mutant.Een recessieve factor wordt slechts zichtbaar als hij op beide chromosomen van het paar voorkomt. De mutant is veelal recessief ten opzichte van zijn wildvorm, een recessieve kleur is dan uiterlijk niet zichtbaar maar kan wel in een latere generatie zichtbaar worden.Slechts in enkele gevallen heeft de aanwezigheid van sommige recessieve factoren zoals de ino- en satinetfactor, zoals reeds gezegd, enige invloed op het kleurpatroon van een vogel als ze latent aanwezig zijn.

Vb. - isabel is recessief t.o.v. agaat

       - agaat t.o.v. groen

       - gladkop t.o.v. kuif

 

Intermediair (of gedeeltelijk dominant)

Hier zijn zowel wildvorm als mutant zichtbaar aanwezig, m.a.w. kan men hier ook spreken van een 'onvolledige dominantie'. Men spreekt nu meer van een factor 'met gedeeltelijk dominant karakter' i.p.v. intermediair. Dit omdat het begrip intermediair soms verwarrend kan overkomen, het is niet zo dat de factor van elk de helft heeft en juist tussen twee factoren ligt..Vb.  - de intensief-schimmelfactor : beiden, intensief en schimmel, vormen in werkelijkheid slechts één factor, manifesteren zich reeds wanneer ze t.o.v. de andere veel minder sterk aanwezig zijn. Zo zal een zwaar schimmel kanarie al kleine intensieve plaatsen beginnen te vertonen op en rond de kop van zodra ook de intensieffactor de kop opsteekt en omgekeerd zal een vol intensieve reeds licht melig worden rond nek, wangen en stuit van zodra de schimmelfactor ook maar voor 't minst aanwezig is Geslachtsgebonden en Onafhankelijke vererving Al hebben we beiden reeds in grote lijnen besproken, toch wil ik er wegens de belangrijkheid en de vele verwarrende en foutieve uitdrukkingen daaromtrent, nog even samenvattend op terugkomen.Het gebeurt immers nog te vaak dat men liefhebbers hoort praten over dominante, recessieve en intermediaire vererving op een wijze alsof ze er alles over weten terwijl ... Alleen reeds aan die paar woorden is te horen dat ze er eigenlijk weinig of niets van snappen.Factoren of eigenschappen kunnen op zich niet recessief, dominant of intermediair vererven, alleen maar onafhankelijk of geslachtsgebonden, één van beide met een dominant, recessief of intermediair karakter t.o.v. de wildallele en niet anders! 

Geslachtsgebonden vererving Elk levend wezen bezit één paar geslachtschromosomen waarop alle kenmerken van het man- of popzijn, zijn vertegenwoordigd samen met nog vele andere factoren die voor ons minder belangrijk zijn.Symbolisch wordt bij de vogels een geslachtschromosoom voorgesteld door X voor het mannelijk en Y voor het vrouwelijk.

       Het mannelijk paar : XX

       Het vrouwelijk paar : XY

Zoals we zien bezit de pop dus ook één mannelijk X-chromosoom waardoor kan worden gesteld dat poppen ook de helft van de mannelijke aanleg bezitten. Haar Y-chromosoom is zogezegd ledig, al mag toch worden verondersteld dat het alle kenmerken van het popzijn, m.a.w. alle eigenschappen van het puur vrouwelijke, de verschillen tussen man en pop, bevat. 

Mannen kunnen split zijn voor geslachtsgebonden factoren, poppen kunnen dat niet. Poppen zijn steeds zuiver voor zulke eigenschappen.Daaruit volgt o.a. ook dat bij een pop een recessief geslachtsgebonden kenmerk slechts enkelvoudig moet aanwezig zijn om zich te uiten, terwijl de man daartoe zulke factor dubbel, op beide chromosomen van het paar, moet bezitten. 

Onafhankelijke vererving

Alle voorkomende eigenschappen die niet op de geslachtschromosomen liggen, maar verspreid op één van de acht overige autosome chromosomenparen, vererven onafhankelijk van de geslachtskenmerken en ook van elkaar. Hoogstens kunnen ze zoals eerder gezegd enige invloed op elkaar uitoefenen. Onafhankelijk verervende factoren moeten zowel bij man als pop dubbel aanwezig zijn om zich te kunnen uiten, uitgezonderd de dominante factoren. Wat er op neerkomt dat poppen hier net zoals mannen wel verervend of split kunnen zijn voor deze factoren.

Voorbeeld :

De opaalfactor so  o.a. vererft onafhankelijk met een recessief karakter t.o.v.  de wildvorm.

Bij paring van opaalman x gewone klassieke pop krijgen we: 

                 Letaalfactor :

Wanneer een dominante factor zoals Dominant Wit en de intensieffactor, dubbel aanwezig is op beide chromosomen in een paar wordt er op natuurlijke wijze een dodelijke invloed uitgeoefend op de kiemcel, die dan afsterft. Vandaar o.a. dat onderlinge paringen met deze factoren worden afgeraden. Dit is eigenlijk meer theorie dan werkelijkheid, want in de praktijk is gebleken dat de eventuele verliezen, als die er zijn, meestal niet van die aard zijn om het er niet op te wagen.

Zo werd ook de dubbele intensieffactor steeds als letaal aanzien, maar wat betekend 100% intensiviteit en is het nodig zover te gaan als we toch zien dat bij de postuurkanaries er bijvoorbeeld types voorkomen die dat getal sterk benaderen, zoals de Giber Italicus, en reeds half in hun blootje zitten maar toch weinig of geen reproductieproblemen schijnen te kennen.

 

                Voortplanting :

Net zoals bij het opstarten van de ruiperiode is het de hypofyse in de hersenen die door het lengen van de dagen en in mindere mate ook door de stijging van de temperatuur geactiveerd wordt en hormonen zal afscheiden welke de voortplanting op gang brengt.Kanaries hoeven daarvoor geen vol jaar oud te zijn, afhankelijk van hun conditie kunnen er reeds rond de 9e à 10e maand geslachtshormonen worden aangemaakt, waardoor ze broedrijp worden.Bij de pop komen de eierdooiers, die alleen dienen als voeding voor het in wording zijnde jong, tot ontwikkeling en rijping en vormt er zich op de buik de bekende broedvlek.Terwijl bij de man de productie op gang komt van zaadcellen die bij de paring in de cloaca (uitscheidingsorgaan) van de pop worden ingebracht.En als er nu een rijpe eicel is afgedaald in de eileider kan daar dan bevruchting volgen. De beide kernen van ei- en zaadcel (spermatozoïde) versmelten en van dan af is de bevruchte eicel volledig afgesloten en beginnen de celdelingen. Normaal wordt om de vierentwintig uur een ei gelegd tot het legsel van 4 à 5 eieren is vervolledigd.Eén geslaagde paring kan voldoende zijn om een gans legsel te bevruchten, omdat het sperma verschillende dagen actief kan blijven in de cloaca van de pop. Om echter zeker te zijn dat alles bevrucht is, laat men best de man tot na het 3-de ei dagelijks een half uurtje bij de pop.

 

 
     

. . . Tuin-huisje . . . Zooeasy . . . Quiko . . . Giantel . . . Bird shop . . . EdiaLux . . . J & J . . . Quiko . . . Easyyem . . . Heesakkers . . . Bird Suppply . . . Vogelvreugd . . . Elector . . . Houten kweekkooien . . . Vaesen . . . Comed . . . Kweekkooi.be . . . kaf o matic . . . Han Lucas . . .