Inloggen

. . . Tuin-huisje . . . Zooeasy . . . Quiko . . . Giantel . . . Bird shop . . . EdiaLux . . . J & J . . . Easyyem . . . Heesakkers . . . Vogelvreugd . . . Elector . . . Vaesen . . . Comed . . . Kweekkooi.be . . . kaf o matic . . . Witte Molen . . .

Cursus Deel 10 : Vetstof en Mozaiek.

geelmozaiek koppelLutino


 

  1. DE VETSTOFKLEUREN.                                  Deel 10. 

Ze maken de grondkleur uit van onze kleurkanaries, gaande van geel tot rood.Zoals we reeds eerde gezien hebben bij de pigmentvorming, zou volgens de klassieke zienswijze over het ontstaan van vetstof kleurigen, het enzyme “Tyrosynase” bij de opbouw van melanines een zeer voorname rol spelen. Is die enzymewerking volledig aanwezig (E+), zoals in de wildvorm van de wilde kanarie, dan bekomen we een gemelaniseerde kanarie. Is ze daarentegen niet werkzaam aanwezig (E) dan krijgen we een vetstofkanarie. Werkt de enzymefactor gedeeltelijk dan verkrijgen we bontvorming.Een vetstofkleurige is dus in wezen niets anders dan een gemelaniseerde (groen; agaat; bruin of isabel) waarvan alleen de ogen nog melanisatie vertonen, al de rest is melanineloos geworden. Om hier evenwel volledig te zijn; moet ik hierbij vermelden dat ook de ogen door inwerking van nog ander factoren melanineloos kunnen worden, maar dat zien we later.De enzymefactor vererft onafhankelijk met E dominant op zijn wildvorm E+ De hoofdletter, waarmee deze en andere factoren zijn aangeduid, wijst erop dat hier de mutant dominant is op zijn wildvorm ! Gebruiken we kleine letters voor factoren dan krijgen we het omgekeerde en is de wildvorm dominant op zijn mutant. 

Opzettelijk hebben we tot nog toe alleen gesproken over geel en rood als vetstofgrondkleur en nog niet van wit: Dit, omdat wit geen vetstofkleur is, maar kleurloos.Witten verkrijgen we door een combinatie van de enzymefactor en een carotinoide-belettende factor zoals recessief wit; dominant wit en in minder mate mozaïek:De eerste vetstofkleur die we uitgebreid zullen behandelen is ook de meest voorkomende, namelijk de gele.

      De geelfactor 

Deze komt van de wilde kanarie met lichtgele (= strogele) grondkleur. Een gele kanarie is dus genetisch gezien dezelfde als een groene (kan ook een agaat, bruin of isabel zijn : denk aan de oogkleur bij de geboorte of kleur van bontvorming).

Maar door het niet werkzaam zijn van de verantwoordelijke enzymen, die normaal zorgen voor de melanie vorming, kunnen we bij de gele geen melanine meer waarnemen, ook niet in zijn donsbevedering:

We kennen twee soorten geel :

  • enkelvoudig geel, dat in combinatie met de schimmelfactor en bij een goede verdeling ervan, ons geel schimmel zal leveren
  • een tweede soort : dubbelgeel, zijnde een combinatie van de dubbel geelfactor en de intensief factor, wat ons goudgeel oplevert. 

            G+ = strogeel         G+ = foutief tussenliggend geel   G = goudgeel

            G+                           G                                                    G 

De kanaries met een gele kleur gelegen tussen geel schimmel en goudgeel in; worden gewoon “geel” genoemd. Die kleur is te zwak voor het een en te sterk voor het ander, dus foutief . 

Vererving en formule :

 

Onafhankelijk, met G dominant over G+. 

- gele met zwarte ogen E X/z+rb+ G+ is vogel afstammend van zwartreeks

                                              E X/z+rb+ G 

                                              E X/z+rb+ G+ ----à groen

                                              E X/z+rb   G   ----à agaat

 - gele met roodbruine ogen    E X/z rb G+ is vogel afstammend van isabelreeks

                                              E X/z rb G 

                                              E X/z rb+ G+----à bruin

                                              E X/z rb   G   -----à isabel 

6.2. De roodfactor. 

Deze komt van de kapoetsensijs. De F1 mannen (= eerste generatie) zijn slechts voor een klein gedeelte vruchtbaar. De F1 poppen zijn onvruchtbaar. De kapoetsensijs bezit naast de rode carotinoide vetstof “cantaxantine” eveneens een gele kleurstof “xanthophyl”, zij het in mindere mate. Het is daardoor dat de kapoetsensijs niet zuiver rood is. De kanaries die eruit komen hebben een rode kleurstof als stimulans nodig om mooi rood te worden.Bij de rode kanaries blijft de roodfactor dus steeds gekoppeld aan de geelfactor !Het chromosomenbezit van de kanarie en de kapoetsensijs vertoont weinig verschillen, want anders zou de kweek van vruchtbare F1 mannen onmogelijk zijn. De bevedering structuur van F1 en F2 is nog niet helemaal gelijk aan deze van de kanarie. Voor wat betreft de kleuruiting, zijn de baarden van F3 en F4 gelijk met de kanarie. 

Vererving en formule : 

            r+G+= kapoetsensijs rood

            r+G+ 

            r+G+ = minder rood in diverse gradaties

            r+G 

De roodfactor vererft onafhankelijk en er is geen mutatievorm bekend. De kleuruiting zal dus altijd intermediair zijn tussen geel en rood ! 

6.3. De mozaïekfactor 

Tekeningen op volgende bladzijde.De mozaïekfactor is een in gefokte gedeeltelijke carotinoide-belettende factor bij gelen en roden. De factor is een dimorfisch-geslachtskenmerk van de kapoetsensijs pop , die dus overgedragen is door de kapoetsensijs man op onze kanaries.Mozaïek kanariemannen vertonen niet datzelfde mooie mozaïekpatroon van de poppen.Ze zijn mozaiek factorigen kunnen dat doorgeven aan hun dochters. Door deze factorwerking bekomen we overwegend witte vogels, voorzien van een mozaïek vlekkenpatroon uit gele of rode vetstof. 

De mozaïekpoppen (type I) vertonen gele of rode oogstrepen, wangvlekken, schoudertoppen, borstvlek en stuit. Wangvlekken zijn niet altijd aanwezig.

De mozaïekmannen (type II) vertonen een meer ineenlopend vlekkenpatroon met een masker zoals bij de distelvink. De vorm en het uitlopen van de vlekken kan zeer veranderlijk zijn.De mozaïekfactor komt zowel voor bij de niet-gemelaniseerden, als blankmozaiek, evenals bij de gemelaniseerden waar de factorwerking, kleurloze baarden in combinatie met de onderliggende melanine van de donsbevedering, zorgt voor een mooi zilversluiereffect in tegenstelling met de witblanke veervelden bij de blankmozaiek. Typisch voor gemelaniseerde mozaïeken zijn de opgebleekte flanken (broek zilversluier). De factorwerking geschiedt vanaf de kleine rui. Daarvoor zijn jonge mozaïek nog voorzien van vetstofkleur.De mozaïekfactor vererft geslachtsgebonden en recessief, zodat hij dubbel aanwezig moet zijn om zich te vertonen.De factoren dominant wit, recessief wit en de intensief factor beletten zijn optreden. De eerste twee bezitten een sterkere carotinoide-belettende karakter, terwijl de intensief factor het optreden van kleurloze baarden belet. 

X/m+ = Niet-mozaiekfactorige man

X/m+ 

X/m+ = Niet-mozaiek pop

Y/ 

X/m   = Dubbelfactorige mozaïek man

 

X/m   = mozaïekpop

Y/

X/m+ = Enkelvoudige mozaiekfactorige man

X/m

 X/ M = Mozaiek pop

Y/

 

. . . Tuin-huisje . . . Zooeasy . . . Quiko . . . Giantel . . . Bird shop . . . EdiaLux . . . J & J . . . Easyyem . . . Heesakkers . . . Vogelvreugd . . . Elector . . . Vaesen . . . Comed . . . Kweekkooi.be . . . kaf o matic . . . Witte Molen . . .